Populisme als krachtig wapen tegen de diplomademocratie

Er is iets goed mis met ons politieke systeem. De afgelopen decennia hebben lageropgeleiden macht en invloed over politiek in Nederland verloren. Meer een meer is Nederland een Platoonse meritocratie geworden, waarin hoogopgeleiden de macht hebben, de functies verdelen en bekleden, het politieke spel spelen, de besluiten nemen. Lageropgeleiden zijn bijna volledig van het toneel verdwenen. Een kwalijke zaak waar populisme een oplossing voor kan zijn.

Populisme is gevaarlijk, een speeltje van machtsbeluste politici over de ruggen van mensen, die aangesproken worden op hun ‘onderbuikgevoelens’. Het is een ranzige vorm van politiek bedrijven, tegen het misdadige aan. Geert Wilders? Een enge, rechtse populist. Emile Roemer? Links populist. Boer Koekoek? De eerste populist in ons parlement. Henk Westbroek? Ook al zo’n enge populist. De nieuwe paus? Een katholieke populist. Nee, populisme deugt niet, het is een ziekte die bestreden moet worden.

Nee, bovenstaande is niet mijn mening. Het is de standaardreflex van vele, vaak hoogopgeleide, ietwat elitaire, Nederlanders als het over populisme gaat. Het woord, “de stem van het volk”, is de laatste jaren verworden tot een scheldwoord. Alexander Pechtold die op hoge toon anderen van populisme beticht, de Belgische koning die in zijn kersttoespraak waarschuwt voor populisme; het is gemeengoed geworden. Populisme is slecht en moet bestreden worden. Maar al te vaak wordt het gebruikt als middel om de discussie uit de weg te gaan. Even roepen dat iemand een populist is, en hoppa, klaar is kees. Want met populisten discussieer je niet.

 De Platoonse meritocratie

Waar komt deze haat toch vandaan? Is populisme echt zo slecht als vaak beweerd wordt? Is het een ziekte, of een symptoom van een ziekte die woedt in ons politiek systeem? Ik denk het laatste. Populisme is een symptoom van een verzwakte politieke orde. Wie populisme aan wil pakken, moet dat dan ook bij de bron doen. Die bron is de diplomademocratie. Bestuurskundigen Mark Bovens en Anchrit Wille beschrijven in hun gelijknamige boek wat dat is; politiek is steeds meer iets voor hoogopgeleiden, de gediplomeerden geworden, terwijl laagopgeleiden van het politieke speelveld verdwenen.

De Groene Amsterdammer of de Nieuwe Revu? Een Volvo of een Opel? Radio 1 of Radio 538? NOS Journaal of Hart van Nederland? Floris of Wesley? Tegenlicht of Dancing with the Stars? NRC Handelsblad of De Telegraaf? Pechtold of Wilders? Waarschijnlijk zullen lezers die vrij eenduidig op antwoorden: NOS, Floris, Tegenlicht, Radio 1, NRC en De Groene Amsterdammer. Dat is logisch. Het zijn de antwoorden die normaal zijn voor hoogopgeleiden, voor academici. Leg dezelfde vragen voor aan een MBO’er en die zal waarschijnlijk De Nieuwe Revu verkiezen boven De Groene, zal Wesley heetten in plaats van Floris en zal vaker Dancing with the Stars kijken dan Tegenlicht. Hoog- en laagopgeleid Nederland zijn sinds de ontzuiling uit elkaar gegroeid. Niet alleen sociaal-cultureel, maar ook politiek.

Bood de verzuiling houvast en verbinding tussen beide groepen, sinds de afbraak van de traditionele zuilen zijn laag en hoog uit elkaar gegroeid. Een katholieke arbeider ontmoette katholieke academici in de kerk, bij de katholieke voetbalclub, bij de KVP. Waar ontmoeten hoog en laag elkaar tegenwoordig nog? Ook de verandering van massapartijen in kaderpartijen is hier van belang. Politieke partijen zijn verzamelplaatsen van hoogopgeleiden geworden, de kaders worden gevuld door goed gekwalificeerden. Hoogopgeleiden stemmen vaker, zijn politiek actiever, vullen vaker politieke functies in, gaan vaker naar inspraakavonden, discussiëren vaker over politiek; kortom zijn meer politieke dieren, zoals Aristoteles de mens zag.

Om meteen naar een andere klassieke denker over te schakelen, is Nederland de afgelopen decennia meer en meer veranderd in een Platoonse meritocratie, een staat waarin de best gekwalificeerden, de hoogopgeleiden, de politiek overheersen. Voor Plato was de politieke elite een soort “intellectueel keurkorps”, bestaande uit mensen met hoge academische vaardigheden. Meer dan we ons misschien beseffen is dit een adequate omschrijving van Nederland anno 2013: de politieke instituties worden overheerst door academici. Vijfennegentig procent van de Tweede Kamerleden is hoogopgeleid, terwijl maar ongeveer één derde van de Nederlanders dat is. Hoezo ‘volksvertegenwoordiging’? Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht was nog nooit zo’n groot deel van de Kamerleden hoogopgeleid. De laatste keer dat het zo hoog was, was in de nadagen van het censuskiesrecht, rond 1881.

Er zijn er nog veel meer voorbeelden van hoe hoogopgeleid Nederland, een minderheid, de politieke orde overheerst. Laagopgeleid Nederland is vrijwel van het toneel verdwenen. Waarom is dat erg? Is het niet juist goed dat academici, mensen die dus gestudeerd hebben en kennen van zaken hebben, de macht hebben? Diplomademocratie leidt onder meer tot problemen met representativiteit. Onderzoek van Lijphart laat zien dat “unequal voting participation is associated with policies that favour privileged voters over underprivileged nonvoters”. Ongelijke inbreng van laagopgeleiden bij verkiezingen kan leiden tot beleid dat vooral hoogopgeleiden ten goede komt. Ook kan structurele ondervertegenwoordiging leiden tot afkeer van democratische instituties en zelfs anti-democratische opvattingen. Dat is levensgevaarlijk.

Diplomademocratie als voedingsbodem voor populisme

Dat brengt me bij populisme. Als een door hoogopgeleiden overheerste politiek waarbij ondervertegenwoordiging van laagopgeleiden optreedt, zoals in Nederland, en daarmee de zorgen van laagopgeleiden minder omgezet worden in beleid, ontstaat er denk ik een voedingsbodem voor populisme, voor een partij of persoon die de zorgen van die groep wél op de agenda wil zetten. Dit komt de democratie niet ten slechte, zoals sommige (vaak hoogopgeleide) mensen beweren, maar juist ten goede, omdat laagopgeleiden tegen andere problemen aanlopen dan academici. Het Nationaal Kiezers Onderzoek (NKO) laat keer op keer zien dat laagopgeleiden andere belangen en zorgen hebben dan hoogopgeleiden. Zo denken beide groepen bijvoorbeeld anders over Europese integratie, immigratie en criminaliteit.

Agenda setting door laagopgeleiden of politici die hen vertegenwoordigen, kan daarnaast werken om problemen in de samenleving eerder op te sporen en aan te pakken. Het waren immers laagopgeleide stemmers die zich al begin jaren tachtig vervreemd voelden in hun wijken, waar steeds meer allochtonen kwamen wonen en wezen op de problemen die ontstaan als immigratie niet gepaard gaat met integratie. Pas nadat academici als Paul Scheffer en Pim Fortuyn zich uitspraken over het onderwerp, kwam het op de politieke agenda. Het zijn laagopgeleiden die het meest te maken krijgen met de keerzijde van globalisering, van vrij vervoer van verkeer en personen in Europa en de daaruit voortvloeiende verdringing op de arbeidsmarkt, omdat hun bazen goedkope Oost-Europese arbeidskrachten inhuren ten koste van hen, met de nadelige gevolgen van flexibilisering van de arbeidsmarkt. De zorgen van die mensen afdoen als ‘ranzig populisme’ of ‘xenofobie’ is geen oplossing, ernaar luisteren en door betere parlementaire representatie hun zorgen en problemen serieus nemen en op de agenda zetten wel.

Populisme komt de democratie ten goede

We hebben daarom populisme nodig om onze democratie beter te laten functioneren en de kloof tussen hoog- en laagopgeleiden te verkleinen. Een staat waarin hoogopgeleiden structureel meer zeggenschap hebben over politiek en daarmee een grote groep mensen over het hoofd ziet, kan nooit een representatieve democratie zijn. Dat politieke betrokkenheid bij laagopgeleiden niet ontbreekt, is wat de steun voor populistische partijen en politici laat zien. Populisme als “stem van het (laagopgeleide) volk” is in wezen een meer democratische politieke uiting dan de meritocratie die Nederland nu is. Wat is er mis mensen een stem te geven, hun problemen op de agenda te zetten, te bespreken? De reflex dat populisme kwalijk is zal eerder tot méér politieke onvrede bij lageropgeleiden en voor meer voedingsbodem voor populisten zorgen, dan voor minder.

Zoals de Belgische auteur David van Reybrouck in zijn zeer lezenswaardige Pleidooi voor populisme schrijft, is het “voor de samenleving een verrijking als laaggeschoolden in het politieke spectrum democratische partijen vinden waarmee ze affiniteit voelen”. We hebben niet minder populisme nodig, maar een verlicht populisme, dat democratisch is, laagopgeleiden vertegenwoordigt en hun zorgen en belangen op de politieke agenda zet. Zolang populistische partijen niet anti-democratisch zijn, maar juist emanciperend werken voor lageropgeleiden, zijn ze een verrijking voor de democratie, en een krachtig wapen tegen de diplomademocratie.

Gebruikte bronnen:

Mark Bovens en Anchrit Wille (2011), De Diplomademocratie (Amsterdam: Bert Bakker)

David van Reybrouck (2008), Pleidooi voor populisme (Amsterdam/Antwerpen: EM Querido)

Lijphart, A. (1997) ‘Unequal Participation: Democracy’s Unresolved Dilemma’, American Political Science Review, 91(1), 1-14

De Volkskrant (20 september 2012), “De nieuwe Tweede Kamer: te oud en te slim”

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s