De rel als ritme van de ongehoorden

Eerst was er Parijs. Toen volgde Londen en ineens ook Stockholm. En nu was er Ferguson, in Missouri, Verenigde Staten – geen wereldstad. Het waren rellen in achterbuurten, voorsteden ook, in ieder geval gedepriveerde plaatsen, door mensen die zich achtergesteld voelden en dat vaak ook waren. Wat hebben Ferguson, Parijs, Londen en Stockholm met elkaar te maken en wat niet?

Herhaling, schreef de Duitse filosoof Georg Wilhelm Friedrich Hegel, is een centraal element van de geschiedenis. Als iets eenmalig gebeurt, kan het afgedaan worden als incident, iets dat, was de situatie anders aangepakt, voorkomen had kunnen worden. Gebeurt het vaker, dan lijkt er een dieper historisch proces gaande te zijn. Toen in 2005 in de voorsteden van Parijs grootschalige rellen uitbarsten, deed CNN het af als “muslim riots”; het was een incident, veroorzaakt door boze moslimjongeren – een conclusie die sociologen afdeden als onzin. Maar toen in 2011 ook in Londen auto’s in de fik vlogen, winkels geplunderd werden en duizenden jongeren in een verhitte strijd met politie en de powers that be verzanden, leek er al meer aan de hand. En toen in 2013 ook in Stockholm rellen uitbraken werd er een breder fenomeen aanschouwd. Een fenomeen van achtergestelde, depriveerde jongeren die in een context van groeiende ongelijkheid en dalende sociale mobiliteit opgroeiden en voor wie de dood van een buurtgenoot, zowel in Parijs, Londen, Stockholm als Ferguson door een politieagent, de trigger was om hun frustratie om te zetten in daden. Sous les pavés, la plage!*1

Een klassieke marxist zou de rellen in die vier steden makkelijk kunnen verklaren. De vallende stenen zijn het ritme van een achtergestelde, uitgebuite klasse die (eindelijk) terugvecht tegen de klassenvijand en een emancipatoire, egalitaire boodschap heeft. Maar zoals de Sloveense filosoof Slavoj Zizek in zijn analyse van de Londense rellen schrijft, is dat hier niet het geval. De relschoppers in Parijs, Stockholm en Londen hadden geen politiek pamflet of ook maar één centrale boodschap. Het gerinkel van kapotvallende winkelruiten was niet het ritme van een politieke revolutie, van een opstand van de gedepriveerden die een radicaal andere wereld bevochten. In zekere zin deden ze, door met grote winkeltassen onder hun arm weg te rennen, juist wat van ze verwacht werd: niet burger zijn, maar hyperconsument voor wie consumeren het hoogste doel in het leven is. Als dat is wat ze moeten zijn, klonk het in analyses van sommige sociologen, dan was hun daad de ultieme roep om een inclusiever systeem waarin ze “gewoon” kunnen consumeren.

Ze lijken daarom meer op de Hegeliaanse notie van de “rabble” of het “gespuis”, zij die buiten de georganiseerde sociale ruimte (zeg, de door de samenleving gewenste liberaal-democratische consumentistische en politieke moraal) leven en hun onvrede enkel kunnen uiten door irrationele geweldsuitspattingen. Hetzij door het gooien van stenen, hetzij door het verbranden van auto’s, hetzij door het plunderen van winkels.

Maar dat gaat niet op voor Ferguson, het Amerikaanse stadje waar na de dood van de achttienjarige zwarte student Michael Brown opstanden en gevechten met de zwaar gemilitariseerde politie uitbraken. Waar in de Europese steden er ooit een soort nobele wilde was waarin vooruitgang van gezinnen, kinderen en wijken een natuurlijke reactie op de Tweede Wereldoorlog was, is in veel Amerikaanse (voor)steden de zwarte gemeenschap als “rabble” als zodanig geïnstitutionaliseerd. Dat was in de jaren vijftig, toen de burgerrechtenbeweging op kwam, al zo, en is zestig jaar later vaak nog steeds zo. Aanschouw de vooruitgang, of vooral het gebrek daaraan.

In de jaren zestig was Ferguson nog een overwegend blanke voorstad van St. Louis, waar blanke middenklassers woonden die in de grote stad werkten. In de armere wijken van de grote stad woonde de zwarte gemeenschap, die daar vaak door wetten die raciale segregatie mogelijk maakten terecht waren gekomen. Maar de afgelopen decennia heeft er zich een urbane ommekeer voorgedaan. De stadscentra zijn tegenwoordig de vrijplaatsen van de blanke middenklasse, de creatieve klasse en de stedelijke elite, terwijl juist in de voorsteden economisch en politiek achtergestelden zijn komen te wonen. De bestuurlijke organisatie van Ferguson is daar echter niet door veranderd. Vijfennegentig procent van de politieagenten is blank, terwijl zo’n zeventig procent van de populatie zwart is. Van de zes gemeenteraadsleden is er maar één gekleurd. Die politieke en autoritaire ongelijkheid is niet uniek voor Ferguson, maar in veel zwarte voorsteden het geval.

Het ras-element is dan ook belangrijk in het verklaren van de opstanden in Ferguson, of Los Angeles in 1992. Maar het zou te simpel zijn de rellen enkel te reduceren tot rassenrellen, juist vanwege de achterliggende economische omstandigheden die zoals zo vaak de motor achter sociale opstanden zijn.

Dit is waar Parijs, Londen, Stockholm en Ferguson elkaar weer ontmoeten. Het post-Fordisme, het tijdperk waarin de traditionele fabrieken zijn verplaatst naar elders op de wereld en de dienstensector het werkende leven is gaan vormgeven en bepalen in de westerse wereld, heeft onzekerheid en neergang van traditionelere structuren met zich meegebracht. In het fordistische tijdperk in de Verenigde Staten, en de naoorlogse keynesiaanse decennia in Europa, waren industriële banen zekerheden voor mensen, die een vast contract en inkomen uit hun werk konden halen, en voor wie werk een vlucht uit de armoede en een weg omhoog was. Hoge sociale mobiliteit in Europa en in de Verenigde Staten zorgde voor een, tijdelijk, einde aan klassenspanningen. Het gaf Amerika een enorme aantrekkingskracht als land waar je het kon maken, behalve dan als je zwart was.

Gaf, want in het post-fordisme, gecombineerd met het neoliberalisme, is die aantrekkingskracht voor velen verloren gegaan. Een baan is geen garantie voor de weg omhoog meer, maar vaak een bron van verdere ellende, omdat één baan niet genoeg is om rond te komen en een tweede vaak ook niet, terwijl de flexibilisering van de arbeidsmarkt en de omzetting van vaste dienstverbanden in tijdelijke voor een permanente dreiging van werkloosheid en daarbij horende proletarisering zorgen. In Europa neemt in de voormalige verzorgingsstaten de ongelijkheid toe, de tien armste wijken van West-Europa zijn allemaal in het Verenigd Koninkrijk terwijl ook in het voormalige welvaartsparadijs Zweden na jaren van bezuinigingen en privatiseringen de inkomensongelijkheid toeneemt. Die groeiende ongelijkheid zorgt samen met de afnemende sociale mobiliteit voor spanningen, zeker bij grote groepen werkloze jongeren zonder perspectief dat het snel beter wordt. Het ontbreken van dat perspectief, en daarmee het subjectieve gevoel uitgesloten worden van het hoogste doel (kunnen consumeren) leidde in Londen tot grootschalige plunderingen, en de frustratie in Parijs en Stockholm voor rellen.

In Ferguson stonden jarenlang succesvolle fabrieken, maar met het verdwijnen daarvan groeide de armoede en werkloosheid en trok de blanke middenklasse naar de stad. Wat volgde was een armoedeval. Sinds 2000 verdubbelde de armoede in het stadje, terwijl reële lonen daalden, vaak al sinds begin jaren tachtig, zoals voor de meerderheid van de Amerikanen (de 99% versus 1% komt ergens vandaan) het geval is.

Dat, in combinatie met sterke raciale scheidingen in zowel urbanisatie als lokale politiek en economisch bestuur en middelen die mensen hebben om gehoord te worden, leidde in Ferguson tot rellen. De moord op de ongewapende tiener Michael Brown, die binnenkort zou gaan studeren en daarmee zijn weg uit de armoede zocht, was het begin van een gevecht tussen de zwarte gemeenschap en overwegend blanke politie. Vooral de gemilitariseerde politie lijkt de agressor te zijn geweest, met het onnodig belagen van demonstranten met traangas en rubberen kogels. Ook journalisten bleven niet buiten schot – letterlijk, bleek toen een cameraploeg van Al Jazeera haar materialen moest achterlaten na beschoten te zijn door agenten.

Hier zit dan ook weer een verschil met Parijs, Londen en Stockholm, waar de rabble een nieuwer en minder geïnstitutionaliseerd verschijnsel is, maar in tegenstelling tot Ferguson een duidelijke politieke boodschap mist. De demonstranten in Ferguson konden zich richten op de raciale scheidingen en de ongelijkheden, terwijl de demonstranten in Europa zich vaak beperkten tot de irrationale geweldsuitspatting an sich, als opeenhoping van frustratie, maar zonder geformuleerd politiek doel, wat in Ferguson een einde aan de rassenongelijkheid was.

Wat rest is de vraag wat er kan gebeuren. Het raciale conflict in de Verenigde Staten wordt vergroot door de achterliggende economische problemen en ongelijkheden, terwijl ook in de Europese steden

groeiende ongelijkheid een belangrijke factor achter het geweld was. Thomas Piketty concludeert in zijn Capital in the 21th century dat die ongelijkheid moeilijk aan te pakken is, omdat het tot de kern van het systeem gaat. Maar het is ook een politiek probleem, waar politici, bedrijfsleven en bestuurders iets aan kunnen doen. The point is to change it, zou Karl Marx zeggen.

1“Onder de straatstenen, het strand”, een slogan van de opstanden in Parijs in mei 1968

Dit artikel verscheen eerder in de september-uitgave van Debat, Leidsch Politicologisch Magazine

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s