250 nieuwe buren

Op een woensdagavond in de late herfst verscheen een bericht op de site van de gemeente. Na wekenlang van hot naar her en van leegstaande school naar sporthal verplaatst te zijn, zouden 250 overwegend Syrische vluchtelingen een jaar lang gehuisvest worden in een leegstaand kantoorpand, aan de rand van de stad. Ineens had ik honderden nieuwe buren.

In mijn studentenhuis dachten we eerst aan een grap. Natuurlijk – we waren bekend met de vluchtelingen die al een tijdje in een sporthal vlakbij hadden geslapen. Maar waarom kregen we geen brief?

Het bleek geen grap en de brief kwam er wel, de volgende dag, netjes met de post bezorgd, “aan de (hoofd)bewoner(s) van dit huis”.

Daarna ging het snel. Op donderdagavond was er een informatieavond voor buurtbewoners. Er waren vragen, kritische, bezorgde ook, en aan het einde van de avond was er applaus voor de burgemeester en de mensen van het COA. Er verscheen geen nieuwsbericht over in grote media.

Op vrijdagochtend, toen ik naar de universiteit liep, reden er verhuiswagens af en aan. Voor de ramen van het prachtige, klassieke kantoorpand lagen kussens, voor de deuren stonden medewerkers van het COA in truien en overhemden en verhuizers in overalls.

Toen ik op maandagochtend na een weekend in het ouderlijk huis het erf van mijn studentencomplex op fietste, zat een vrouw in een trainingspak op een boomstronk die er al jaren ligt. Ze stak haar hand op. “Hello”, zei ze. Ik knikte, stak ook m’n hand op, zei “Hello, welcome”, terug. Er liepen meer vluchtelingen over het terrein, een handjevol.

Wie waren de nieuwe buren? Via een vrijwilligersorganisatie regelde mijn studentenhuis een diner. Zes Syrische jongens, tussen de zestien en zesentwintig jaar, kwamen curry met pompoen eten. Het was gezellig. We dronken bier en wijn, maakten grapjes over voetbal, ondervroegen elkaar over het leven daar en hier.

Ze vertelden met een doffe blik in hun ogen over het leven dáár, over families die uitgemoord waren, of nog in IS-hoofdstad Raqqa woonden en vreesden voor hun leven.

Ze spraken met energieke gezichten over het leven voor de oorlog, hoe prachtig Syrië was.

Ze hadden het over de reis naar hier, over de handelaren, de gammele bootjes, de agressieve politie in de Balkan-landen. Sommigen hadden gestudeerd, Arabische literatuur, Engels, Rechten, anderen wilden voetballer worden, muzikant misschien, of enkel gelukkig.

We werden vrienden op Facebook, liken sindsdien allemaal elkaars foto’s en berichten. Ze wilden hier blijven, in Nederland, maar ook ooit terug naar Syrië, naar huizen die er niet meer staan en familieleden die er niet meer zijn.

Soms spreek ik er nog een paar, als we elkaar tegenkomen in de buurt of in de supermarkt. Het leven in het camp, zoals de vluchtelingen de noodopvang zelf noemen, is ledig, de dagen zijn lang. Ze slapen uit, drinken koffie, roken een sigaret, gaan weer op bed liggen, lopen wat rond, eten, gaan zo laat mogelijk naar bed zodat de volgende dag hopelijk minder lang en ledig is. Ooit wordt het beter, dat weten ze zeker, maar wanneer? Als ik op een donderdagavond vraag wat ze overdag doen, zeg er eentje: “we wait. And wait. And wait. Always waiting.”

Vrijwilligers proberen kleur te geven aan het leven. Er zijn excursies en cursussen, er worden soms wat boeken afgeleverd. Bewoners organiseren sport spel, voor kinderen en voor volwassenen.

Wat kunnen ze? Alles, maar ook niks. Ze willen werken, studeren, hun leven hier een succes maken, in vrede leven, gelukkig zijn. Soms, hoor ik, zijn er in de opvang ’s avonds problemen met wat jongeren die bier drinken en wiet roken, in een poging de demonen van de oorlog en de alsmaar voortdurende saaiheid en ledigheid te verjagen.

Maar rondhangende mannen die constant de buurt onveilig maken, de dystopie die populisten en boze blanke burgers elkaar voorhouden, of grote vechtpartijen? Wel nee. Toen er laatst een opstootje was, eerst tussen wat kinderen en daarna hun ouders, zeiden bewoners teleurgesteld te zijn in het gebrek aan ouderlijke verantwoordelijkheid.

Als ik mensen hoor praten over hoe verschrikkelijk het moet zijn om een vluchtelingenopvang in je buurt te hebben, vraag ik me af waar ze het in godsnaam over hebben. Toen op Twitter iemand tegen me begon over moordlustige, opgehitste, criminele jonge mannen, vroeg ik hem eens lang te komen bij mijn buren.

Geen reactie.

Ik zie vooral mensen die iets van hun leven willen maken. Die werk willen, kennis, geld, liefde, geluk. Die alles kapot zagen gaan en daarna de puinhopen van hun Syrische leven achter zich lieten en hier succesvol willen zijn. Soms denk ik: wat als er hier oorlog uitbreekt? Daar hadden wij kunnen staan, met dezelfde pijn om achtergelaten huizen, vrienden, boeken, levens. Het zijn vergelijkbare levens, totdat er oorlog uitbreekt en alles anders is.

Het is gemakkelijk de humaniteit van vluchtelingen te ontkennen, zoals sommige politici en burgers met harten en hoofden vol haat doen, maar het verlaagt je tot barbarij. De Amerikaanse dichter Maya Angelou schreef ooit: we are more alike than we are unalike.

Dat is zeker zo.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s